woensdag 4 januari 2012
Confessiones (deel II)
Uiteindelijk zal ik mij nooit excuseren tegenover hen. Dat weten we allemaal.
Ha! Een jaar later en zie wat een veranderingen er zijn opgetreden! Virtually none! Ik heb blijkbaar enkel geleerd om met de schuld om te gaan. En net hetgeen wat ik mijzelf een tijd geleden verweet is nu mijn justificatie van de status quo, om erger te voorkomen.
zondag 2 januari 2011
Confessiones (deel I)
Hoewel ik een overtuigd atheïst ben schuilt er toch in mij een neiging naar enkele christelijke denkbeelden. Vooral die van de algemene schuld, de erfzonde zo je wil. Schuldig tot het tegendeel bewezen is. Tot je je verzet tegenover de zonde. "We hebben helemaal geen god nodig om schuld te creëren en te straffen. Onze naasten voldoen, geholpen door onszelf." (Albert Camus)Misschien daarom dat ik mij te slecht, te min voel, voor een ander. Het is niet het idee van de schuld zelf die dat doet, maar het feit dat ik van mezelf wéét dat ik niets doe aan mijn schuld. Op geen enkel punt.
Ik dwing mezelf ertoe me te straffen als tegengewicht hiervoor en omdat de anderen het niet doen. Ik ben niet waardig dat gij tot mij komt (maar spreek en ik zal gezond lijken).
zaterdag 11 september 2010
Het libertarisme en haar pijnpunten
Het is dezer dagen constant in het nieuws: de economie en de crisis waarin zij van aan het herstellen is. Of nog in zit. Of op aan het afstevenen is. De discussies daaromtrent verschijnen om de haverklap in de media. Men begint zich allerlei vragen te stellen, waaronder vragen rond de tussenkomst van de overheden om de banken te redden: zijn de banken nu echt gered of hebben we na de dot-com bubble, de real-estate bubble nu ook de bailout bubble? (Borgs, 2010)
Het grootste gedeelte van deze discussies gebeurt binnen het kapitalistische vrije markts discours, dat als heilig beschouwd wordt. Althans na de ineenstorting van de Sovjet Unie, die velen beschouwden als het falen van het communisme en dus een bevestiging dat enkel het Westerse, kapitalistische model heil kon brengen.
Maar dat discours zelf, de verafgoding van de vrije markt, wordt niet in vraag gesteld. Dat model is namelijk economisch gezien efficiënt of men verwacht althans dat dat het meest efficiënte is voor de groei-economie.
De meest fervente voorvechters van dit discours zijn de libertariërs. Zij promootten, al dan niet met behulp van een heuse lobby, het ideaal van de minimale staat, zijn tegen overheidsinterventie en voor de volledige vrijmaking van de markt. Zoals men kan aannemen van zo een verstrekkende visie wordt deze niet alleen op economisch vlak beargumenteerd maar ook op wijsgerig vlak.
In deze paper wil ik dan ook op dat laatste ingaan en uitzoeken wat dat wijsgerig libertarisme precies inhoudt, welke beginselen er een rol spelen en wie er zich heeft mee beziggehouden en ook welke argumenten er tegen geformuleerd kunnen worden.
De structuur van deze paper zal als volgt zijn: in het eerste deel zal ik onderzoeken wat het libertarisme precies is. Na een korte beschouwing zal ik het verschil tussen links- en rechts-libertarisme duiden (paragraaf 1) ; daarna bespreek ik visie op vrijheid die ervoor centraal staat om daarna in te gaan op het principe van zelfbezit (beiden in paragraaf 2) dat het vertrekpunt is van de argumentatie van de minimale staat, die ik dan ook uit de doeken doe (paragraaf 3).
In het tweede deel bespreek ik enkele belangrijke argumenten tegen deze visie. Om te beginnen zal ik een poging doen om het principe van zelfbezit te weerleggen op basis van een contradictie met het kantianisme (paragraaf 1) en enkele eerder praktisch gerichte bezwaren (paragraaf 2). Tot slot zal ik tegenwerpingen van John Rawls gebruiken die hij voorstelt in zijn A Theory of Justice.
II Libertarisme
Het libertarisme, in de politieke filosofie, is een vorm van liberalisme en wordt ook wel klassiek liberalisme genoemd omdat zij het dichtst bij het liberalisme van John Locke lijkt te staan. Libertariërs beschouwen alle (opgelegde) beperkingen als belemmeringen op de vrijheid van een persoon die hen ervan weerhoudt te doen wat ze willen doen. (Sterba & Flathman, 2006, p. 719)
Anders geformuleerd: het libertarisme gaat uit van het principe dat iedere persoon het recht heeft op maximale negatieve vrijheid (zie verder). Dit wordt vooral beargumenteerd vanuit het principe van zelfbezit dat het basisbeginsel is van het libertarisme. Dat beginsel is “the moral view that agents initially fully own themselves and have certain moral powers to acquire property rights in external things.” (Vallentyne, 2010)
Omwille van die redenen zijn libertariërs gekant tegen overheidsinterventie en kunnen zij op veel steun rekenen vanuit de neoliberale economische lobby's. Hoewel dat voornamelijk een opportunisme is aan de kant van de neoliberalen vanwege het toevallig samenvallen van de libertariër zijn overtuigingen, die op morele gronden zijn gebaseerd en de doelen van de economisten, die niet over een morele drijfkracht beschikken. In het libertarisme zien zij dus de rechtvaardiging voor de – wereldwijde – economische koers die zij varen.
Libertarians favor unfettered markets and oppose government regulation, not in the name of economic efficiency but in the name of human freedom. Their central claim is that each of us has a fundamental right to liberty – the right to do whatever we want with the things we own, provided we respect other peeople's rights to do the same. (Sandel, 2010, pp. 59-61)
Bekende libertarische denkers zijn de economisten Friedrich von Hayek (Oostenrijk) en Milton Friedman (Amerika) en de Amerikaanse politiek filosoof Robert Nozick. Een andere, zeker in Amerika grote ideologische rol spelende, denkster is Ayn Rand die het ethisch egoïsme promootte.
1 Links- en rechts-libertarisme
Hoewel het libertarisme vaak gezien wordt als een overwegend rechtse stroming, is dit niet geheel terecht. Ideeën zoals holebi-rechten, legalisering van drugs of het toelaten van euthanasie, de 'progressieve ideeën' dus, maken óók onderdeel uit van het libertarische gedachtegoed. Zij zijn namelijk tegen die wetten die restricties opleggen. (Vallentyne, 2010)
Ook kan men een onderscheid maken tussen een links- en een rechts-libertarisme. Het rechts-liberalisme is de meest bekende variant en het is ook die variant waarover ik het voornamelijk wens te hebben.
Both endorse full self-ownership, but they differ with respect to the powers agents have to appropriate unowned natural resources (land, air, water, minerals, etc.). Right-libertarianism holds that typically such resources may be appropriated by the first person who discovers them, mixes her labor with them, or merely claims them—without the consent of others, and with little or no payment to them. Left-libertarianism, by contrast, holds that unappropriated natural resources belong to everyone in some egalitarian manner. It can, for example, require those who claim rights over natural resources to make a payment to others for the value of those rights. This can provide the basis for a kind of egalitarian redistribution. (Vallentyne, 2010)
Zoals gezegd zal ik mij voornamelijk op het rechts-libertarisme richten, zoals zij meestal voorkomt en dus op het economisch gerichte gedachtegoed van het vrije markt libertarisme waarmee we hoofdzakelijk mee te maken krijgen en die ook het meeste invloed heeft heden ten dage.
2 Vrijheid en self-ownership
De belangrijkste stelling van het libertarisme is dus het recht op vrijheid, maar wat houdt die vrijheid nu precies in? Er zijn namelijk twee vrijheidsconcepten: positieve en negatieve vrijheid, een onderscheid waar voornamelijk Isaiah Berlin is op ingegaan maar die zeker teruggaat tot op Immanuel Kant. (Carter, 2007)
“Positive liberty is the possibility of acting — or the fact of acting — in such a way as to take control of one's life and realize one's fundamental purposes.” (Carter, 2007) Een visie op vrijheid die zich dus concentreert op wat je kan doen en niet op wat in de weg staat en ook heel erg kantiaans aandoet.
“To act freely, according to Kant, is to act autonomously. And to act autonomously is to act according to a law I give myself – not according to the dictates of nature or social convention.” (Sandel, 2010, p. 109) Het tegenovergestelde van het autonome, volgens een zelf opgelegde wet, handelen is het heteronoom handelen, zoals Kant het noemt. Het is het handelen volgens de stimulus: je handelt afhankelijk van externe determinerende factoren waar je geen invloed op uitoefend. Dat je liever een spaghetti carbonara eet dan een bolognaise is geen vrije keuze maar afhankelijk van je natuurlijke voorkeuren.
Daarbij aansluitend wil ik ook opmerken dat dit samen hangt met het kritisch denken. Kritisch denken is, net als handelen, denken volgens een door jezelf opgelegde “wet” (of een verzameling principes) in plaats van een extern opgelegde wet oftewel: een dogma. Deze opmerking is vooral van belang bij mijn besluit.
Daar tegenover staat het concept van negatieve vrijheid die het ontbreken van beperkingen of grenzen inhoudt. Hoe minder – al dan niet opgelegde – beperkingen, hoe meer vrijheid. Dit is de vrijheid waarvan de liberalistische denkers uitgaan. Dit is dan ook een van hun argumenten tegen inmenging van de overheid, want die beperkt op die manier de vrijheid van de individuen.
Een andere, zo mogelijk nog belangrijker, concept is dat van de zelfbezit1 (self-ownership). Wij zijn initieel allemaal volledig in het bezit van onszelf, we bezitten ons eigen lichaam als ons eigendom. Deze notie, die teruggaat op de politieke filosofie van John Locke, is moraalfilosofisch uitgewerkt door Robert Nozick in zijn magnum opus Anarchy, State & Utopia (1974).
Zijn positie omtrent zelfbezit, zo stelt Nozick, volgt uit Kants morele principes. Om precies te zijn: uit de tweede maxime – “Handel zo dat je de mensheid zowel in je eigen persoon als in de persoon van de ander steeds als doel en nooit alleen als middel gebruikt”(Commers, 2008, p. 227). Een menselijk wezen heeft recht op respect en waardigheid en mag niet zomaar behandeld worden louter als een ding. Daarom komt hij op het principe van zelfbezit: eigendom mag niet zomaar gebruikt worden zonder toestemming of geweld aangedaan worden, net zoals ook volgt uit Kant zijn maximes. Iets bezitten is namelijk niets meer dan recht hebben op iets en het recht hebben om ermee te doen wat je belieft.
Maar wat houdt dat zelfbezit nu precies in? Wel, “that individuals own themselves – their bodies, talents and abilities, labor, and by extension the fruits or products of their exercise of their talents, abilities and labor.” (Feser, 2005, par. 2.a) Hieruit volgt bijvoorbeeld al snel dat (onvrijwillige) slavernij immoreel is want in dat geval heeft het individu géén zelfbezit, de slavenhouder bezit dan het lichaam en de vruchten van het individu. Het is stelen, diefstal van een persoon van zichzelf!
3 De minimale staat
Uit dit principe van zelfbezit volgt, zo gaat Nozick verder, dat elke vorm van belastingen moreel verwerpelijk is. Belastingen zijn namelijk gedwongen arbeid en leunen dus aan bij slavernij. Een bepaald deel van de arbeid, is arbeid voor de staat en is men er dus geen eigenaar van. Integendeel: de staat is gedeeltelijk eigenaar van het individu! Dit strookt niet met het concept van zelfbezit en zodoende immoreel.
Alle staatsvormen zijn dus uit den boze omdat zij wetten opleggen aan de bevolking die de vrijheid beperken, zoals rookverboden of censuur, en omdat zij verplichten bij te dragen aan de staat en haar programma's, zoals sociale zekerheid en gezondheidszorg; wat dan weer ingaat tegen het principe van zelfbezit aangezien het zonder de toestemming van het individu gebeurt.
Alle staatsvormen behalve één, zo is de conclusie van Nozick. Enkel een minimale staat of een nachtwakersstaat. Dit is een staat die er enkel voor zorgt dat deze principes nageleefd worden en individuen beschermd tegen inbreuken hiertegen. Zij zorgt ervoor dat contracten nageleefd worden en beschermt door middel van een (beperkt) rechtssysteem en een politiemacht tegen fraude, diefstal en geweld en meer niet. Simpel gezegd is het dus “a minimal state, limited to enforcing contracts and protecting people against force, theft, and fraud [...]. Any more extensive state violetes persons' rights not to be forced to do certain things, and is unjustified.” (Sandel, 2010, p. 62)
Maar hoe kan nu zo een minimale staat mogelijk zijn zonder immoreel te zijn? Is het niet beter om helemaal géén staat, anarchisme dus, te hebben? Want zelfs een nachtwakersstaat heeft geld nodig om te kunnen functioneren, geld dat natuurlijk via belastingen bekomen wordt. Is dat dan ook geen gedeeltelijke slavernij? Neen, zegt Nozick. “Indeed, in his view it turns out that even if an anarchistic society existed, not only could a minimal state nevertheless arise out of it in a way that violates no one’s self-ownership rights, in fact such a state would, morally speaking, have to come into existence”(Feser, 2005, par. 2.b).
Kort gesteld: er zou een proces op gang komen, gecontroleerd door een soort van 'onzichtbare hand' zoals die gebruikt wordt in de economische wetenschappen, die ervoor zorgt dat er één dominant bedrijf of een consortium van bedrijven ontstaan die dezelfde taak op zich nemen van een staat. Bepaalde mensen zullen beschermingsdiensten aanbieden in ruil voor een vergoeding die gelijk is aan datgene dat de andere persoon normaal aan zijn bescherming zou uitgeven – dit is natuurlijk afhankelijk van het (sociale) contract tussen die personen. Zo zullen dus gespecialiseerde bedrijven ontstaan die toezien op de bescherming van basisrechten van de mensen en dit op louter vrijwillige basis. De mensen hebben immers zelf besloten om ervoor te betalen. De 'belastingen' zijn dus betaald op vrijwillige basis. Ook worden er onderlinge afspraken gemaakt tussen bedrijven en vormt zich een soort van proto-wetgeving die instaat voor de bescherming van de vrijheid en de zelfbezitsrechten.
Later, na het ontstaan van deze minimale staat, is er niks dat deze samenlevingen tegenhoudt om verder te gaan en de staat uit te breiden tot een sociale welvaartsstaat of een egalitaristische samenleving, zolang alle leden van die samenleving er maar mee instemmen.
Nozick ziet deze minimale staat als een utopie (vandaar 'Utopia' in de titel van zijn werk) omdat volgens hem enkel enkel dat politieke model in staat is om de visie van iedere persoon en groep te realiseren. (Feser, 2005, par. 2.d)
III Argumenten tegen het libertarisme
In wat nu volgt zou ik enkele argumenten tegen het libertarisme willen formuleren. Deze vallen hoofdzakelijk uiteen in twee categorieën: kritiek op het concept van zelfbezit, dat mijns inziens foutief is, en enkele rawlsiaanse argumenten; daarvoor baseer ik mij vooral op de interpretatie van Rawls door Michael Sandel.
1 zelfbezit en het kantianisme
Eerst en vooral is de sprong die Nozick maakt – maar zelf nooit helemaal opheldert – van de tweede maxime van Kant naar een volledig doorgedreven zelfbezit niet correct. Er is niets in Kants filosofie dat een legitimatie is voor een visie op het eigen lichaam als een bezit, integendeel. Kant stelt zelfs dat we onszelf niet als als louter objecten die we in ons bezit kunnen hebben mogen zien. “The moral requirement that we treat persons as ends rather than as mere means limits the way we may treat our bodies and ourselves. 'Man cannot dispose over himself because he is not a thing; he is not his own property.'” (Sandel, 2010, p. 130). Indien we dat wel doen objectiveren we onszelf.
Een goed voorbeeld is het verkopen van lichaamsonderdelen voor profijt. Er zijn, in onze tijd, mensen, voornamelijk in landen als India en China, die hun nieren verkopen voor grof geld. Nu bestond zo een markt in nieren niet in Kants tijdperk, maar wel iets gelijkaardigs: de verkoop van tanden. Arme mensen verkochten hun tanden die dan bij rijke mensen ingeplant werden die nieuwe tanden nodig hadden. Kant veroordeelde deze praktijk, die duidelijk vergelijkbaar is, omdat dit een schending is van de menselijke waardigheid. Indien men zijn lichaam verkoopt of gebruikt als middel om profijt te maken dan beschouwt men het lichaam enkel als een object en dan voldoet men niet aan de tweede maxime. (Sandel, 2010, p. 131)
Nozicks overtuiging dat het principe van zelfbezit afgeleid kan worden uit Kant zijn maximes is dus foutief. Kant zijn ethiek baseert zich op een ander idee van vrijheid dan dat van de libertariërs. Hij benadrukt de positieve vrijheid door de nadruk te leggen op wat hij de autonomie noemt: het handelen volgens de door jezelf opgelegde wetten. Een begrenzing dus, iets waar de libertariër van lijkt te gruwen.
2 Andere argumenten tegen het principe van zelbezit
Een eerste, belangrijk argument tegen zelfbezit is dat het de plicht uitschakelt en dat het dus ook ontmenselijkt. Mensen zouden niet de plicht hebben om een ander (in nood) te helpen maar zouden dat enkel door een vrijwillig akkoord kunnen doen. De dimensie van “het goede doen omwille van het goed” verdwijnt bijna volledig. Mensen helpen zou grotendeels enkel gebeuren om jezelf beter te doen voelen of omdat je er zelf belang bij hebt. Dit leidt dus tot een extreem ver doorgetrokken individualisme.
Nochtans kan dit niet het geval zijn. Als iemand in het kanaal valt en je springt er niet achter om die persoon te redden – je hebt een dringende afspraak of je houdt je dure kleren liever proper – dan zullen de mensen verontwaardigd reageren. Dit duidt toch aan dat men wel degelijk verwacht dat je een zekere plicht die je hebt jegens anderen vervult.
Een tweede argument is dat het niet toegelaten is om een andere persoon zonder zijn toestemming te “gebruiken” om hemzelf of anderen in nood te helpen. Iemand uit de weg van een aanstormende auto duwen of “gently push[ing] an innocent agent to the ground in order to save ten innocent lives” (Vallentyne, 2010, par. 1) is dus niet toegestaan. Maar dit lijkt wederom een ver doorgedreven individualisme te zijn en totaal onrealistisch ten opzichte van de morele werkelijkheid waarin wij ons bevinden.
Een derde argument is dat zulks een libertarisch principe van zelfbezit kan leiden tot ongelijke kansen, voornamelijk bij een jonge(re) generatie, door gunsten cadeau te doen zodat de ontvangende persoon zich in een bevoordeelde positie bevindt. Volgens de libertariërs is dit toegestaan maar dit kan makkelijk leiden tot onrechtvaardige situaties (zie verder, bij Rawls' argumenten).
The right to make gifts of personal services can be defended by emphasizing how such gifts are an essential part of intimate personal relationships. Moreover, if a person has the right to perform an action for her own benefit, then she arguably also has the right to perform it for someone else's benefit. A possible reply here is that, although the donor may well have the power to make gifts of her services, the recipient may not have a right to the full benefit of those services (e.g., the benefits may not be immune to taxation). (Vallentyne, 2010, p. 1)
Ten vierde kan men zich afvragen of het principe van zelfbezit niet toelaat om dat zelfde recht vrijwillig door te geven, op te geven of te verkopen. Dus of men vrijwillig zichzelf tot slaaf zou kunnen laten maken (en of dat blijvend is). Een extreem voorbeeld is bijvoorbeeld dat van Armin Meiwes, bijgenaamd de Kannibaal van Rotenburg, die een man vermoorde en gedeeltelijk opat die met die daad had toegestemd. Is Meiwes dan schuldig aan moord of niet?
3 Rawls' argumenten
Laat ik nu even ingaan op die andere belangrijke 20ste eeuwse politiek filosoof: John Rawls en zijn hoofdwerk: A Theory of Justice (1971). Bij Rawls draait het niet ultiem rond de basisprincipes maar rond de vraag wat rechtvaardig is. Bij hem zijn die principes het resultaat van zijn filosofie en niet het vertrekpunt, zoals bij de libertariërs.
Rawls is een sociaal-contract denker. Vanuit dat opzicht formuleerde hij het gedachte-experiment van de veil of ignorance. Stel je voor dat we samenkomen om de principes van onze samenleving te bepalen. We bevinden ons achter die sluier van onwetendheid en weten dus niet welke plaats we zullen innemen in de samenleving; we weten niet tot welke klasse of etnische groep we zullen behoren, of we heel slim of oerdom zullen zijn, enzovoort. Dit zorgt ervoor dat iedereen op gelijke voet staat in de onderhandelingen – en dus geen gebruik kunnen maken van “bargaining threats, [die] buiten proportie zouden doorwegen op de uitkomt” (Raes, 2010, p. 185) – voor het (hypothetische) sociale contract, dat niet mogelijk kan zijn in de echte wereld. Welke samenlevingsvorm zou men dan kiezen? (Richardson, 2005, 2.c; Sandel, 2010, p. 142)
Alvast geen libertarische staat, zo stelt Rawls, want niemand wil het risico lopen om in een systeem te belanden dat je niet helpt en behoeftig houdt.2 Rawls biedt ook een alternatief systeem aan dat volgens hem het juiste is. Namelijk een egalitaire samenleving gebaseerd op twee principes; de eerste zorgt voor basis vrijheden en de tweede zorgt voor een sociale en economische gelijkheid, maar ik ga hier verder niet op ingaan.
Een ander argument van Rawls is dat 'verdienste' (moral desert) eigenlijk geen rol speelt bij een rechtvaardige samenleving en herverdeling. Nochtans zit deze notie heel sterk in onze samenleving ingebakken. Vaak claimt men verdienste omdat men er hard voor gewerkt heeft bijvoorbeeld.
Perhaps some will think that the person with greaternatural endowments deserves those assets and the superior character that made their development possible. Because he is more worthy in this sense, he deserves the greater advantages that he could achieve with them. This view, however, is surely incorrect. It seems to be one of the fixed points of our considered judgments that no one deserves his place in the distribution of native endowments, any more than one deserves one's initial starting place in society. The assertion that a man deserves the superior character that enables him to make the effort to cultivate his abilities is equally problematic; for his character depends in large part upon fortunate family and social circumstances for which he can claim no credit. The notion of desert seems not to apply to these cases. (Rawls, 1973, pp. 103-104)
In het libertarisme houdt men hier geen rekening mee en meent te kunnen stellen dat je je initiele positie verdient door bijvoorbeeld bevoordeeld te worden door je ouders, maar zoals we net zagen is dat nog niet rechtvaardig.
Maar rechtvaardigheid is van geen groot belang volgens de libertariërs, want, zo stelt Friedman: “Life is not fair. It is tempting to believe that government can rectify what nature has spawned. But it is also important to recogniez how much we benefit from the very unfairness we deplore.” (M. Friedman & R. Friedman, 1980, pp. 136-137) De natuurlijke staat is rechtvaardig volgens hem. Maar hij gaat hier wel voorbij aan de naturalic fallacy van Moore: het is niet omdat het zo ís, dat het ook goed is en zo hoort te zijn!
In view of these remarks we may reject the contention that the injustice of institutions is always imperfect because the distribution of natural talents and the contingencies of social circumstance are unjust, and this injustice must inevitably carry over to human arrangements. Occasionally this reflection is offered as an excuse for ignoring injustice, as if the refusal to acquiesce in injustice is on a par with being unable to accept death. The natural distribution is neither just nor unjust; nor is it unjust that men are born into society at some particular position. These are simply natural facts. What is just and unjust is the way that institutions deal with these facts. (Rawls, 1973, p. 102)
De natuurlijke verdeling van welvaart en onze initiele positie in de maatschappij zijn rechtvaardig noch onrechtvaardig, maar het is het systeem dat beoordeeld moet worden op rechtvaardigheid en dus ontspringt ook het libertarisme de dans niet. En aangezien zij expliciet stellen dat rechtvaardigheid geen rol speelt in hun theorie is het evenzeer twijfelachtig of de resultaten van dat systeem dat wel zijn.
IV Besluit
Hoewel het libertarisme zeer veel navolging kent en populair blijkt in economische middens, zijn er toch duidelijk heel wat problemen mee. Hoe komt het dat zovelen zijn misleidt dat zij zulke, initieel heel erg nastrevenswaardige principes, dogmatisch gaan aanhangen en zulks een ver doorgedreven libertarische samenlevingsvorm gaan ontwikkelen, zonder oog te hebben voor gelijkheid en rechtvaardigheid?
Het liberalisme en libertarisme hebben zo hun verdiensten gehad (en hebben die nog steeds), maar dat gaat niet ten koste van alles en zeker niet zonder enige kritische reflectie over de correctheid, de rechtvaardigheid, ervan. Daar wijst Rawls heel sterk op.
Samen hiermee kunnen we stellen dat de economische focus op loutere efficiëntie toch niet de juiste aanpak is. Een zo efficient mogelijke verdeling van goederen, daar draait het tegenwoordig om. Rechtvaardigheid komt daar, jammergenoeg, zelden bij kijken. Misschien indien men de economische wetenschappen minder als exacte en meer als humane wetenschappen zou zien dat er daar verandering in zou komen. Want de economie handelt over intermenselijke overeenkomsten en is dus niet meer dan een menselijk, sociaal construct en absoluut geen natuurwetenschap à la de natuurkunde!
Een goed begin zou dus zijn als men er succesvol in slaagt om de illusie van het libertarisme en het heilige geloof in de vrije markt zou kunnen doorprikken. De consequenties zijn dat men alle contact verliest met het menselijke aspect en zodoende een bevreemdende, monsterlijke entiteit heeft geschapen, volledig ontdaan van enige goede intenties die het leven van alle mensen ter wereld beïnvloed!
1Dit is niet hetzelfde als zelfbeschikkingsrecht dat het recht is van een volk om hun politieke status zelf te bepalen: “2. All peoples have the right to self-determination; by virtue of that right they freely determine their political status and freely pursue their economic, social and cultural development.” (United Nations, 1960)
2Rawls' commentaar op diegenen die beweren dat er mensen zouden gokken op waar ze terechtkomen en dus toch voor een libertarische samenleving zouden kiezen is dat men achter de veil of ignorance ook niet weet of men wel zulke risico's zou durven nemen, of men in het echte leven al dan niet een gokker zou zijn. (Sandel, 2010, p. 152)
maandag 16 augustus 2010
Het recept voor een heerlijke, nachtelijke schrijfsessie.
- Iets waar je makkelijk je schrijfsel kwijt kan. Een pen en papier kan volstaan, maar in onze moderne tijden kan een laptop en een blog makkelijker, vloeiender zijn. Dit is afhankelijk van je voorkeur (en je verlangen naar krampen in je schrijfarm).
- De nacht - géén schemer maar echte nacht. TIP: begin 1 à 2 uur nadat iedereen jouw onmiddelijke omgeving als is gaan slapen.
- Een lege, verlaten omgeving. Geen mensen in dezelfde ruimte. De enigste mensen in de buurt mogen slapende buren zijn.
- Géén inspiratie. Dat wil zeggen: je mag geen verhaal voor ogen hebben dat je wil schrijven.
- Een reden tot zelfverachting, melancholie en misantropie.
- Sfeermuziek, aangeraden soorten muziek zijn agressie opwekkende thrash-metal, zielige post-punk en te vrolijke muziek die depressief maakt.
Van zodra alles stil is, je alleen bent en de 'juiste' mood begint in te zetten installeer je je op een gemakkelijk plaatsje. Maar niet té makkelijk! Een goed voorbeeld is bijvoorbeeld rechtop zittend in bed, met je rug tegen de oncomfortabele muur en een dik, veel te warm, deken over je benen. Hou ook alle benodigdheden binnen handbereik, je zal je schrijfplaats niet al te gauw verlaten.
Nu dat dit in orde is, ben je klaar voor de volgende stap. Néén, we gaan nog niet schrijven. Eerst en vooral gaan we aan mentale flagellatie doen. Dit kan bijvoorbeeld, als je je eenzaam voelt of aan liefdesverdriet lijdt, door naar een romantische film te kijken die jouw verlangens nog eens extra naar boven haalt. Probeer dit minstens een halfuur lang te doen.
Maak je nu klaar om te schrijven. Sla je notitieboekje open, open een nieuw document in je tekstverwerker,... Alvorens je jouw stream of consciousness begint neer te schrijven, bedenk je eerst eventjes de trivialiteit van jouw schrijven. Wat je ook gaat schrijven, het gaat slecht zijn, niemand gaat het lezen. Het heeft fundamenteel geen zin. Okay, je bent nu klaar om te schrijven!
Je weet niet wat je moet schrijven? Doet er niet toe, schrijf gewoon iets dat in je opkomt. Maak er een verhaaltje van, schrijf je fantasieën op in de ik-vorm, stel een revolutionair manifest op, schrijf over jouw toekomstbeeld. Of het nu goed of slecht is, of het nu fictie dan wel non-fictie is, serieus of lacherig bedoelt; denk eraan: het doet er niet toe, het is triviaal, remember?
Tekst klaar? Proficiat! Waarschijnlijk schaam je je nu voor jezelf en dat is ook wel terecht. Toon deze tekst aan niemand buiten misschien enkele vertrouwelingen (als het een blog is is het misschien niet zo erg om je schare internetfans jouw werk te laten lezen, they'll love it).
Jouw eerste nachtelijke schrijfsessie zit erop! Je kan nu gaan slapen of zelfs aan een tweede beginnen! Om de werkelijke kracht van dit ritueel te ervaren moet je dit af en toe herhalen. Het beste is op momenten dat je emotioneel kwetsbaar bent.
vrijdag 6 augustus 2010
De muze herondekt
Mijn blik gleed langs haar lichaam, beginnende bij haar uitgestrekte arm die tussen mij en haar hoofdkussen in lag. Roodgelakte nagels. Een bijna perfecte huid, vrij bleek voor de tijd van het jaar, maar zeker niet te. Haar borsten drukten zich stevig in de lakens. De golf van haar onderrug zette zich voort onder de lakens die enkel nog de vage contouren van haar heupen prijsgaven - en al helemaal niks meer van haar dijen. Iets verder piepten twee van de tederste voetjes ooit weer van tussen het stof. Prachtig gewoon. Tussen de haren kon ik haar gezicht ontwaren, dat de onschuld zelve uitstraalde.
Of althans, dat placht zo te zijn. Nu scheen er enkel wanhoop, angst, oprechte verbazing en een zweem van pijn uit te stralen. Haar ogen wijd opengesperd. Haar tong enkele millimeter uit haar halfopen mond en een klein stroompje bloed dat een langzaam groter wordende vlek maakte op de lakens. De dolk zat tussen haar schouderbladen tot op het simpele, vergulden gevest ingeplant.
"Ik moet heel dringend eens een nieuwe methode bedenken," bedacht ik bij mezelf, "anders haalt de sleur, de routine, me wéér in!" Ik gleed onder de gladde lakens, sloot mijn ogen en begon mijn vorige moorden te overlopen. Zeker vier ervan had ik ook met een dolk omgebracht. Hoewel de laatste met een stoot door haar borst was afgehandeld, recht in haar hart en niet in de rug. Dat stelde me een beetje gerust.
Ik had al verschillende manieren gebruikt. Vergiftiging deed me niet zoveel, het was te onrechtstreeks, te langzaam en niet erg smakelijk als ze begon over te geven. Dus na twee pogingen had ik het voor bekeken gehouden. Wurging, dat was me pas goed bevallen! Opwindend! Vooral omdat je het kon introduceren tijdens de immer passionele seks, geen vrouw die daar neen tegen kon zeggen. En het was best wel divers, je kon een riem gebruiken, een strop of mijn persoonlijke favoriet: je eigen blote handen (dan voelde je de hartslag in haar halsslagaders vertragen en uiteindelijk stilvallen). Maar bang als ik was voor de sleur was ik toch moeten overstappen op een nieuwe manier, eens iets met bloed. En dat was dan uiteindelijk de dolk geworden.
Ik kroop uit het grote, kingsize bed en liep naar de barkast. Ik schonk mezelf een glas single malt in en ging achterwaarts op een stoel zitten. Mijn laatste werk bewonderend. Ik zag het niet als kunst, noch als sport. Evenmin als een job. Het was gewoon iets dat ik deed. Een soort van vakantie als het ware. Eén keer om de paar maand deed ik het, niet te vaak. Het mocht geen gewoonte, geen verslaving worden. Ten gepaste tijde mijn pleziertje, meer niet.
***vanaf hier moet de ganse boel herwerkt worden!***
Ik probeerde te bedenken hoe ik mijn volgende moord kon plegen. Dat bleek niet te lukken maar ik had nog wel enige tijd om een definitieve methode uit te werken. Om mijn moord-muze terug te vinden en mijn angst voor dit grijze-muizen bestaan de kop in te drukken. Maar dat waren zorgen voor later besloot ik en ik concentreerde me terug op de geweldige avond die ik net achter de rug had.
Ik liep terug naar het bed en liet me er op neervallen. Ik snoof nog eens diep de geur op. Aah, die shampoo! Ik keek opzij, recht in haar angstige ogen en ik begon de schaterlachen. Ik voelde me bevrijd. Vooral van dan knagende gevoel, die holte van het nihilisme dat mij tot deze daden dwingt. Vanaf nu zouden mijn daden terug betekenis hebben, althans voor enige tijd.
Ik stond op en vrolijk neuriënd gaf ik mijn meisje nog een kus op de wang en pakte m'n koffer in. Omstreeks kwart na vier in de ochtend verliet ik ongezien het Roemeense hotel en keerde ik terug naar huis, uitgerust na een welverdiende vakantie. Gerust in het feit dat ik mijn stempel op de wereld gedrukt had.
donderdag 24 juni 2010
Contra libertarisme
Mensen moeten gaan beseffen dat zij hun vrijheid kwijt raken als zij zaken met de staat doen. De staat is niet uw vriend.In een ideale samenleving is er zeer zeker wel een belangrijke plaats weggelegd voor de staat. Zij is de waarborg voor onze vrijheid en onze rechten. Zij is de (mogelijkheids)voorwaarde tot onze vrijheid: zonder staat, géén vrijheid! Wij verliezen onze vrijheid niet door 'zaken met de staat te doen', wij maken onze vrijheid dan, en enkel dan, mogelijk.
Het zijn niet de (gewone) mensen die iets moeten gaan beseffen maar net de dogmatisch liberalen die moeten inzien dat vrijheid niet zomaar te regelen valt door zo weinig mogelijk (overheids)interventie. Om ervoor te zorgen dat iedereen vrij is moet men voldoen aan enkele voorwaarden en die voorwaarden impliceren natuurlijk ook grenzen. En het is pas binnen die grenzen dat men zijn vrijheid kan uitoefenen. Hier zullen liberalen problemen mee hebben maar ik dien erop te wijzen dat zij zelf al grenzen stellen door te zeggen dat iemands vrijheid niet de vrijheid van de ander mag belemmeren, zij zijn er dus niet vreemd aan.
donderdag 27 mei 2010
Het politiek defaitisme
Maar om terug te komen op dat 'politiek defaitisme': van waar komt die en is die gerechtvaardigd? Wel, er zijn mijns inziens verschillende oorzaken hiervan.
De eerste is de teleurstelling in onze steeds weer falende politiek (of althans de perceptie daarvan): de derde keer in drie jaar tijd is de regering gevallen. Mensen beginnen zich vragen te stellen of dit nog wel redelijk is, of het geen idioot spelletje is, want zo lijkt het nochtans: de regering valt, de media schreeuwt moord en brand maar het dagelijkse leven gaat gewoon door. Wat betekent politiek nog als enkel de economie van belang is en ons echt zorgen baart? Een economie waarin de politiek weinig meer voor het zeggen heeft.
Een tweede oorzaak is de huidige sociaal-economische toestand en de toekomstperspectieven van België, Europa en de wereld. De werkloosheidcijfers swingen de pan uit, jongeren vinden maar moeilijk een job, armoede is geen marginaal verschijnsel meer en onze pensioenen liggen onder vuur. Tel daarbij nog eens de verhalen vanuit Griekenland (de bevolking die 10 tot 20% van hun inkomen in rook zien opgaan?) en het plaatje is compleet. De gewone burger moet alle last dragen terwijl die over het algemeen niets in de (economische) pap te brokken had.
De derde en laatste oorzaak is de communautaire kwestie die enkel en alleen het Vlaams-nationalisme in de hand speelt ("want we zijn die koppige Walen nu wel meer dan beu!"). De hele zaak die blijft aanslepen is voor velen dé reden om onsolidair en Vlaams-nationalistisch te gaan stemmen. Grote populisten die declameren dat ze voor eens en altijd een eind zullen maken aan dit spelletje en ons, Vlamingen, zullen beschermen tegen de economie in verval, het is toch iets waar ik zwaar mijn twijfel bij heb (het is heel verleidelijk om in een Reductio ad Hitlerum te vervallen, maar ik zal het niet doen).
Dus wat kunnen we besluiten? Het heersende defaitisme is begrijpelijk maar lijkt wel een verkeerde reactie te zijn! De verkiezingen zullen doorgaan en de stemweigeraars hun actie zal uiteindelijk niets uithalen, buiten misschien nog maar eens bewijzen dat de stemplicht een farce is geworden. Rechts behaalt een overwinning die de solidariteit niet ten goede zal komen (zelfs confederalisme is een aanfluiting hiervan, om nog maar te zwijgen van een onafhankelijk Vlaanderen). En als we de mokerslag van de economische crisis tegen ons gezicht krijgen kunnen we hier ook rekenen op door hogerhand opgelegde extreme besparingen die passen binnen het neoliberale plan.
Tot slot wil ik een oproep doen om hier tegen te reageren en om links te stemmen. Ik sta géén specifieke partij voor, er zijn genoeg mogelijkheden. We moeten kiezen voor een internationaal, een globale solidariteit om doorheen deze moeilijke crisistijden te geraken en we hebben geen nood aan een (Vlaams) nationaal-socialistische oplossing. Voor één keer moeten we met z'n allen durven opkomen voor elkaar in plaats van enkel aan onszelf te denken want het is dat soort mentaliteit dat ons in de eerste plaats in deze situatie gebracht heeft! De gewone burgerbevolking moet zijn democratische macht uitoefenen om de verantwoordelijken hun verantwoordelijkheden op te leggen en onze toekomst veilig te stellen.
Ik heb gezegd.
(o.a. geïnspireerd door dit artikel)
maandag 3 mei 2010
De onmogelijkheid van de filosofie
Al maanden probeer ik mijn eigen filosofische opvattingen in een tekst te gieten. Elke keer als ik enkele ingrijpende veranderingen in mijn denken heb ondergaan stel ik mij dat als doel, maar nooit komt het er van. Niet omdat ik te lui ben of het vergeet - ik heb al dikwijls naar mijn knipperende cursor op mijn scherm zitten staren, niet wetende wat ik moest schrijven - maar gewoon omdat mijn denken ofwel nog te vaag, te ongegrond is ofwel omdat ik tegen dat ik iets of wat deftig weet wat ik zou moeten schrijven, alweer een verandering heb ondergaan en zo mijn vorige overbodig maak.
Toch kan ik misschien een niet diepgaande overzicht formuleren van de persoonlijke projecten die ik voor mezelf nog zou willen verwezenlijken. Van de onmogelijkheid een mogelijkheid te maken als het ware. Een vage uitdrukking van wat ik op dit moment allemaal zou willen verwezenlijken in mijn persoonlijke verwerking van de filosofie. Hoe vaak mijn denken ook een ommekeer (of op z'n minst een kleine bocht) maakt, de doelstellingen veranderen veel trager.
Wel kan ik stellen dat zowat al mijn denken op dit moment geïnspireerd is door enkele filosofen en stromingen, namelijk: Schopenhauer, Camus, de filosofen van de Gentse traditie, de analytische wijsbegeert en het logisch-positivisme, en enkele niet verder verduidelijkte ideeën uit de continentale wijsbegeert (voornamelijk in de metafysica en de ethiek).
1 Een duidelijke, bruikbare metafysica opstellen.

Op dit moment onder grote invloed van het transcendentaal-idealisme van enkel vrienden. Onderverdeling van de werkelijkheid in een subject-object relatie, die de mogelijkheid is voor de wereld als voorstelling van het subject. De grondslagen zullen voornamelijk speculatief zijn en teruggaan op het idee van de mystische sprong (doch moet en zal anders verklaard worden).
Valt hier ook onder: statuut van religie, bestaan van een (of meerdere) god(en) en zal niet verder gaan dan metafysica want deze zal strikt atheïstisch zijn. Verwijzingen naar God of het goddelijke in de metafysica berusten mijns inziens volledig op het gebruik van de taal en meer niet.
2 Epistemologie.
Aansluitend bij de metafysica. Plus hierbij nog een volwaardig statuut voor de wetenschappelijke disciplines formuleren (m.a.w.: de volledige wetenschapsfilosofie valt hieronder); die ook de mogelijkheid geeft om bepaalde methoden, van bijvoorbeeld pseudo-wetenschappen, als ongeldig te beschouwen. Introductie van de logica als methode om rationele zuiverheid te behouden in dit systeem.
3 Ethisch en waardegevend project van de Absurde Moraal uitwerken.Bottom line: via een absurdistische redenering en het omverwerpen van een bestaan waardensysteem, nieuwe (absurdistische) waarden constitueren en tot een sociale ethiek komen die elementen mengt van Kant, Schopenhauer en enkele 20ste eeuwse continentale filosofen waaronder Jankélévich. Bespreking van moreel statuut van sterven en andere kwesties (doodstraf, euthanasie) om deze te gronden in dit systeem.
4 Een taal-filosofie opstellen.
Hoewel dit minder mijn prioriteit weg draagt heeft de 20ste eeuwse filosofie bewezen dat de taal een heel belangrijk onderdeel is ervan en misschien wel een speciaal statuut verdient. Ik pleit voor een realistische, bruikbare taalfilosofie die overweg kan met zijn plaats binnen het denken. Hierbij zal ik proberen rekening te houden met Frege, Russell, Wittgenstein, Searle en dergelijke meer.
5 Sociale, politieke en economische standpunten uitwerken.
Volgen grotendeels uit de ethiek maar zullen voornamelijk elk apart uitgewerkt moeten worden zo nodig. Op politiek-filosofisch vlak zullen er vrij liberale standpunten worden ingenomen maar op socio-economisch vlak zal het dan weer eerder socialistisch, licht autoritair zijn, neem ik aan.
vrijdag 11 december 2009
Why should I be moral
Voordat we een antwoord trachten te formuleren op de vraag moeten we ons bewust zijn van de vraag zelf. Voor mijn betoog stel ik dat deze uiteenvalt in twee aspecten die onmiddelijk van groot belang zijn bij het beantwoorden ervan, aangezien deze dualiteit al een bepaalde invalshoek impliceert. Ook ga ik de vraag niet herschrijven of vervormen omdat ik vind dat deze al juist geformuleerd is en ons direct iets aanreikt. Ze is op zich al een uitdrukking van een bepaald ideaalbeeld, één die ik hoger acht dan alle andere.
Het eerste aspect dat ik hier onderscheid is het individualiteits aspect dat tot uiting komt in het I, het Ik, uit de vraag. De vraag naar het 'waarom' is een individuele vraag, doch een individuele vraag die elk aan zichzelf moet stellen. Er wordt niet gevraagd 'Why should we be moral?', er wordt geen algemene reden gevraagd waarom iedereen zich moreel moet gedragen, enkel maar de justificatie die een persoon er zelf aan geeft. De mens wordt als individu gezien, als iemand die de vrijheid heeft om te doen wat hij wil. Maar het brengt wel de plicht mee om deze vraag te beantwoorden.
Ten tweede is er het algemene aspect. Vragen of wij moreel moeten zijn impliceert mijns inziens al de ander. De ethiek – en dus ook deze vraag – gaat over intermenselijke relaties en handelt dus over 2 of meer personen. De vraag, die aan het individu gesteld wordt, handelt dus ook over de anderen en hoe hij, het individu, tegenover die anderen zou moeten staan.
Deze vraag is de kern van een ethisch ideaalbeeld, namelijk dat iedereen voor zichzelf, zonder dat het hen opgelegd wordt, beslist om zich moreel te gedragen zodanig dat iedereen hetzelfde morele gedrag vertoont. Wat wij dus lijken te wensen is dat iedereen op zichzelf tot dezelfde conclusies komt. Er is dus zoiets als 'het goede', dat iedereen uit zichzelf zou moeten nastreven.
Natuurlijk is nu nog altijd geen echt antwoord gegeven op het 'waarom?' van de vraag. Het antwoord volgt deels uit de interpretatie van de vraag. Namelijk het deel dat zegt dat het een reden moet zijn die vanuit jezelf komt en voor de massa geldt, dit maakt dat niet alle ethische systemen van tel zijn. Het feit dat de reden uit jezelf moet komen zorgt er natuurlijk voor dat er een wijde varieteit kan zijn aan invullingen.
Waarom?
Ik poog nu, geheel tegen mijn gewoonte in, om een eerder pragmatische oplossing aan te reiken. Dit door niet één absolute waarheid te prediken, één absoluut antwoord te proberen geven – velen zijn mij hier al in voorgegaan en allen hebben gefaald – maar door te stellen dat de specifieke invullen weinig van tel is maar dat het juist de uitkomst is die van belang is. Namelijk dat iedereen, eender welke invulling hij geeft aan de vraag, tot eenzelfde besluit komt, om op deze manier ons ideaal te bereiken. Ik zal hierna wel één voorbeeld uitwerken en dat is die die op zo weinig mogelijk autoriteit terugvalt. Eén van de meest extreme vormen die deze kwestie kan aannemen, namelijk die van het absurdisme (geinspireerd door Albert Camus) die als tegenreactie kan gezien worden op het nihilisme.
Zoals ik al stelde geeft iedereen een andere invulling van de vraag. De ene persoon gebruikt de autoriteit van een god, de andere de categorische imperatief van Kant of de utilitaristische principes van Bentham – om het simplistisch te stellen. Ook de mensen die zich beroepen op het gezond verstand en éénieder die het leven als zinvol ervaart, behoren tot deze eerste groep, die ik niet ga bespreken omdat hun invulling, hoewel divers, wel elke keer voor de hand liggend is. Maar hoe fundeer je je moraal als je helemaal niets hebt om op terug te vallen? Wat als je de wereld en het leven als zinloos (en absurd) beschouwd? Wat als je de wereld als iets slechts beschouwd? Raken wij hier niet in de problemen? Moeten wij hier onze zoektocht naar het 'waarom?' van de moraal stopzetten? Waarom zou je moreel zijn in een amorele wereld die er niet om geeft of je al dan niet juist tracht te handelen. Wat is ook 'juist handelen' in een wereld die geen waarden bezit.
Hier zal ik trachten aan te tonen dat deze mensen niet verloren zijn en dat ook zij redenen hebben om zich als morele wezens te gedragen. Ook voor zulke extreme stellingen die elke mogelijkheid tot aanvaarding van ethiek lijken uit te sluiten (het is immers zinloos) is niet alles verloren.
Mensen die ervan overtuigd zijn dat de wereld een tranendal is, dat alles lijden is en dat de zin van het morele wordt teniet gedaan door de vreselijkheid ervan kunnen zich misschien vinden in de Schopenhaueriaanse opvatting, dat, hoewel de wereld een slechte plaats is, wij toch moreel moeten zijn tegenover onze medemens (en zelfs dieren) omdat ook zij in diezelfde slechte plaats vertoeven. Omdat zij lotgenoten zijn van hetzelfde lijden dat ons overkomt.
Maar hier raken we nog niet aan de meest extreme vorm, we moeten het nihilisme benaderen en vanuit dat nihilisme, die verwerping van waarden, toch iets opbouwen. We moeten verder, ditmaal met de mensen die zelfs het Schopenhaueriaanse antwoord al teveel vinden. Die stellen dat die even inhouds- en zinloos is als wat ze tracht op te lossen. Zulke mensen zien in hoe absurd dat het geheel wel niet is: waarde-uitspraken doen in een waardenloze wereld, je moreel gedragen zonder dat je ook maar goeie reden krijgt? Waarom moreel zijn als, volgens Nietzsche, de moraal ongeldig en uiterst subjectief is?
Absurde moraal
In het licht hiervan haal ik Camus aan, wiens stelling het was dat de belangrijkste filosofische vraag, voorafgaande aan alle andere, was of je al dan niet zelfmoord zou plegen – uitereraard is dit een levensbeschouwelijke vraag maar die leunt natuurlijk héél dicht aan bij het zingevende van de vraag naar moraliteit. In zijn Le Mythe de Sisyphe doorgrond hij deze problematiek en hij onderscheidt daarbij min of meer gelijkaardige types van antwoorden die mensen eraan gegeven hebben in de loop der tijden. Zo zijn er ook diegenen die besluiten zelfmoord te plegen , maar onderscheidt hij ook zoiets als de 'filosofische zelfmoord' (voorbeelden daarvan zijn de redeneringen van Kierkegaard, Husserl en Heidegger). Zij komen tot conclusies die in directe tegenspraak zijn met hun stelling van het absurde, door zich naar God te keren, zoals Kierkegaard doet, of naar een Platoonse wereld.
Nu zijn géén van deze twee types te verkiezen, want ze trachten beiden de zinloosheid van he tleven te omzeilen, de één door er een eind aan te maken, de andere door te stellen dat er wél zin is, ook al is die niet bevredigend of zelfs rationeel. Maar uiteraard is er een derde type mens, die mens die de zinloosheid of beter nog: de absurditeit, inziet en die serieus neemt. Hij die ten volle beseft wat het absurde is maar het nooit accepteert, integendeel zelfs: hij komt er voortdurend tegen in opstand. En in die handeling ligt de waarde.
Hetzelfde moet gedaan worden voor de moraal, en dat is heus niet zo moeilijk. Door steeds te handelen in het licht van het absurde, creëer je een subjectieve waarde (die in het handelen besloten ligt en niet in een object). Deze waarden dwingen jou om moreel te zijn, dit doordat bepaalde handelingen een negatieve waarde meekrijgen en anderen een positieve. Door het ontstaan van deze waarden is het onmogelijk om te ontsnappen aan goedkeuring of afkeuring, we willen zoveel mogelijk handelingen met een positieve waarde en zo weinig mogelijk met een negatieve, ook jegens onszelf. Hierdoor ontstaat het moraliteits-concept opnieuw, na het eerst volledig te hebben verworpen, onze wil dwingt ons er namelijk toe om zoveel mogelijk 'het goede' (d.w.z. hetgeen dat een positieve waarde krijgt) te doen. Het besef dat deze waarden niet reëel zijn blijft en moet ook blijven, want het is ten deele uit dit besef dat de 'absurde waarden' ontstaan.
Anders gezegd: we moeten moreel zijn omdat we moreel moeten zijn, omdat ons inzicht en onze wil er ons toe dwingen. Het amoralisme is geen juist standpunt want zij is niet voltooid maar slechts een startpunt voor de absurde mens.
Omdat dit wel een zéér vergaande, individuele manier is om aan moraliteit te geraken zou het kunnen dat we net hieruit kunnen besluiten dat we nu wel moreel moeten zijn, maar dat het er onmogelijk een iets overkoepelend, over meerder mensen (een gemeenschap, de gehele mensheid), kan gezegd worden. Afgaande op deze denkwijze is dit inderdaad waar, maar we moeten toch vaststellen dat de meeste mensen allemaal naar hetzelfde goede streven en er toch iets lijkt te zijn als een overkoepelende moraal (hoewel deze afhankelijk kunnen zijn van culturen en dergelijke). Het lijkt mij daarom veroorloofd om te stellen dat de gangbare normen en waarden van een gemeenschap een doorsnee weergave is van de individuele moraal van alle mensen uit die welbepaalde gemeenschap en daarom wél van tel is en we die dus, als individu, als absurde mens, zullen volgen. Hier komen we terug op het ethisch ideaalbeeld: op individuele gronden tot dezelfde morele conclusies komen. De cirkel is rond en een antwoord is gegeven.
donderdag 3 december 2009
Get Dirrty
De rest van het gezelschap liet wat op zich wachten en hij raakte haar kwijt. Hij maakte zich niet al teveel zorgen en haalde drankbonnetjes en ging een cola halen. Aan de toog werden de bestellingen gedaan door een ferm stel naakte vrouwenborsten (en bijhorend vrouwenlichaam) en nog enkele verleidelijk geklede meisjes. Hij vroeg zich af waarom hij hier verzeild geraakt was, dit was toch niks voor hem? Hij kreeg zijn cola en was blij dat hij zich van dit gênante tafereel kon verwijderen en ging terug bij zijn vrienden staan. Er was nog meer volk bij komen staan, meest prominent was een vrouw die enkel nog lingerie droeg en subtiel (naar de normen van het feestje) toonde dat ze onder haar bh plakband over haar tepels gekleefd had... voor het geval dat.
Het meisje kwam terug en hij danste wat stijfjes in haar buurt. Hij gluurde stiekem naar haar niet onknappe lichaam en hij vroeg zich af waarom precies. Ze was hem niet speciaal opgevallen maar enkel en alleen omdat zijn vrienden hem aanmoedigden. "Draai 'aar dan binnen!" schreeuwde de vriend in zijn oren, iets dat hij lacherig wegwuifde. Maar het zette hem wel aan tot denken. Het wakkerde het vlammetje van zijn begeerte wat meer aan. De setting hielp ook wel natuurlijk. Hij aanschouwde het vervreemdende tafereel rond hem: kussende mannen met lederen petten op, meisjes in sexy lingerie die aan het paaldansen waren en zelfs iemand met een Heide-aus-Tirol-pakje aan.
Later op de avond, toen hij al wat moe begon te worden, ging het meisje in de gang een jointje roken. Zijn vriend pushte, duwde hem letterlijk, naar haar toe. Hij had een vermoeid gesprek met haar, maar kon het om een of andere reden niet meer opbrengen om enthousiast te zijn. De angst had zich weer meester van hem gemaakt en zat weer vol zorgen. Hij voelde zich al falen nog voor hij effectief gefaald had. Hoe zijn vriend hem ook pushte, hij kon het niet. Hij rookte dan maar eventjes mee van haar joint en ging toen terug binnen een poging wagen tot dansen. Beiden high kwam er van dat dansen niet veel in huis en ze gingen dan maar aan de kant zitten uitblazen, de omgeving observerend. Hij piekerde zich suf over wat hij moest zeggen, maar hoe harder hij piekerde, hoe minder hij kon bedenken.
Hij besefte plots dat hij er niets meer van ging komen en dat hij moe was. Toen hij haar meedeelde dat hij dan naar huis ging vertrekken zei ze dat ze wel met hem meeging. Ze kleedden zich beiden weer aan en duffelden zich goed in tegen de koude nacht van begin september en liepen naar buiten. Hij pakte zijn fiets en liep nog de straat uit met haar, alwaar hun wegen al onmiddellijk scheidden. Hier en nu was zijn kans. Geen vragen stellen, gewoon doen. Het alleen-zijn kon hier ophouden. Just do it already!
Hij gaf haar een vlugge kus op de wang, wenste haar een goeie nacht en fietste weg, de donkere straatjes in.

