Het is dezer dagen constant in het nieuws: de economie en de crisis waarin zij van aan het herstellen is. Of nog in zit. Of op aan het afstevenen is. De discussies daaromtrent verschijnen om de haverklap in de media. Men begint zich allerlei vragen te stellen, waaronder vragen rond de tussenkomst van de overheden om de banken te redden: zijn de banken nu echt gered of hebben we na de dot-com bubble, de real-estate bubble nu ook de bailout bubble? (Borgs, 2010)
Het grootste gedeelte van deze discussies gebeurt binnen het kapitalistische vrije markts discours, dat als heilig beschouwd wordt. Althans na de ineenstorting van de Sovjet Unie, die velen beschouwden als het falen van het communisme en dus een bevestiging dat enkel het Westerse, kapitalistische model heil kon brengen.
Maar dat discours zelf, de verafgoding van de vrije markt, wordt niet in vraag gesteld. Dat model is namelijk economisch gezien efficiënt of men verwacht althans dat dat het meest efficiënte is voor de groei-economie.
De meest fervente voorvechters van dit discours zijn de libertariërs. Zij promootten, al dan niet met behulp van een heuse lobby, het ideaal van de minimale staat, zijn tegen overheidsinterventie en voor de volledige vrijmaking van de markt. Zoals men kan aannemen van zo een verstrekkende visie wordt deze niet alleen op economisch vlak beargumenteerd maar ook op wijsgerig vlak.
In deze paper wil ik dan ook op dat laatste ingaan en uitzoeken wat dat wijsgerig libertarisme precies inhoudt, welke beginselen er een rol spelen en wie er zich heeft mee beziggehouden en ook welke argumenten er tegen geformuleerd kunnen worden.
De structuur van deze paper zal als volgt zijn: in het eerste deel zal ik onderzoeken wat het libertarisme precies is. Na een korte beschouwing zal ik het verschil tussen links- en rechts-libertarisme duiden (paragraaf 1) ; daarna bespreek ik visie op vrijheid die ervoor centraal staat om daarna in te gaan op het principe van zelfbezit (beiden in paragraaf 2) dat het vertrekpunt is van de argumentatie van de minimale staat, die ik dan ook uit de doeken doe (paragraaf 3).
In het tweede deel bespreek ik enkele belangrijke argumenten tegen deze visie. Om te beginnen zal ik een poging doen om het principe van zelfbezit te weerleggen op basis van een contradictie met het kantianisme (paragraaf 1) en enkele eerder praktisch gerichte bezwaren (paragraaf 2). Tot slot zal ik tegenwerpingen van John Rawls gebruiken die hij voorstelt in zijn A Theory of Justice.
II Libertarisme
Het libertarisme, in de politieke filosofie, is een vorm van liberalisme en wordt ook wel klassiek liberalisme genoemd omdat zij het dichtst bij het liberalisme van John Locke lijkt te staan. Libertariërs beschouwen alle (opgelegde) beperkingen als belemmeringen op de vrijheid van een persoon die hen ervan weerhoudt te doen wat ze willen doen. (Sterba & Flathman, 2006, p. 719)
Anders geformuleerd: het libertarisme gaat uit van het principe dat iedere persoon het recht heeft op maximale negatieve vrijheid (zie verder). Dit wordt vooral beargumenteerd vanuit het principe van zelfbezit dat het basisbeginsel is van het libertarisme. Dat beginsel is “the moral view that agents initially fully own themselves and have certain moral powers to acquire property rights in external things.” (Vallentyne, 2010)
Omwille van die redenen zijn libertariërs gekant tegen overheidsinterventie en kunnen zij op veel steun rekenen vanuit de neoliberale economische lobby's. Hoewel dat voornamelijk een opportunisme is aan de kant van de neoliberalen vanwege het toevallig samenvallen van de libertariër zijn overtuigingen, die op morele gronden zijn gebaseerd en de doelen van de economisten, die niet over een morele drijfkracht beschikken. In het libertarisme zien zij dus de rechtvaardiging voor de – wereldwijde – economische koers die zij varen.
Libertarians favor unfettered markets and oppose government regulation, not in the name of economic efficiency but in the name of human freedom. Their central claim is that each of us has a fundamental right to liberty – the right to do whatever we want with the things we own, provided we respect other peeople's rights to do the same. (Sandel, 2010, pp. 59-61)
Bekende libertarische denkers zijn de economisten Friedrich von Hayek (Oostenrijk) en Milton Friedman (Amerika) en de Amerikaanse politiek filosoof Robert Nozick. Een andere, zeker in Amerika grote ideologische rol spelende, denkster is Ayn Rand die het ethisch egoïsme promootte.
1 Links- en rechts-libertarisme
Hoewel het libertarisme vaak gezien wordt als een overwegend rechtse stroming, is dit niet geheel terecht. Ideeën zoals holebi-rechten, legalisering van drugs of het toelaten van euthanasie, de 'progressieve ideeën' dus, maken óók onderdeel uit van het libertarische gedachtegoed. Zij zijn namelijk tegen die wetten die restricties opleggen. (Vallentyne, 2010)
Ook kan men een onderscheid maken tussen een links- en een rechts-libertarisme. Het rechts-liberalisme is de meest bekende variant en het is ook die variant waarover ik het voornamelijk wens te hebben.
Both endorse full self-ownership, but they differ with respect to the powers agents have to appropriate unowned natural resources (land, air, water, minerals, etc.). Right-libertarianism holds that typically such resources may be appropriated by the first person who discovers them, mixes her labor with them, or merely claims them—without the consent of others, and with little or no payment to them. Left-libertarianism, by contrast, holds that unappropriated natural resources belong to everyone in some egalitarian manner. It can, for example, require those who claim rights over natural resources to make a payment to others for the value of those rights. This can provide the basis for a kind of egalitarian redistribution. (Vallentyne, 2010)
Zoals gezegd zal ik mij voornamelijk op het rechts-libertarisme richten, zoals zij meestal voorkomt en dus op het economisch gerichte gedachtegoed van het vrije markt libertarisme waarmee we hoofdzakelijk mee te maken krijgen en die ook het meeste invloed heeft heden ten dage.
2 Vrijheid en self-ownership
De belangrijkste stelling van het libertarisme is dus het recht op vrijheid, maar wat houdt die vrijheid nu precies in? Er zijn namelijk twee vrijheidsconcepten: positieve en negatieve vrijheid, een onderscheid waar voornamelijk Isaiah Berlin is op ingegaan maar die zeker teruggaat tot op Immanuel Kant. (Carter, 2007)
“Positive liberty is the possibility of acting — or the fact of acting — in such a way as to take control of one's life and realize one's fundamental purposes.” (Carter, 2007) Een visie op vrijheid die zich dus concentreert op wat je kan doen en niet op wat in de weg staat en ook heel erg kantiaans aandoet.
“To act freely, according to Kant, is to act autonomously. And to act autonomously is to act according to a law I give myself – not according to the dictates of nature or social convention.” (Sandel, 2010, p. 109) Het tegenovergestelde van het autonome, volgens een zelf opgelegde wet, handelen is het heteronoom handelen, zoals Kant het noemt. Het is het handelen volgens de stimulus: je handelt afhankelijk van externe determinerende factoren waar je geen invloed op uitoefend. Dat je liever een spaghetti carbonara eet dan een bolognaise is geen vrije keuze maar afhankelijk van je natuurlijke voorkeuren.
Daarbij aansluitend wil ik ook opmerken dat dit samen hangt met het kritisch denken. Kritisch denken is, net als handelen, denken volgens een door jezelf opgelegde “wet” (of een verzameling principes) in plaats van een extern opgelegde wet oftewel: een dogma. Deze opmerking is vooral van belang bij mijn besluit.
Daar tegenover staat het concept van negatieve vrijheid die het ontbreken van beperkingen of grenzen inhoudt. Hoe minder – al dan niet opgelegde – beperkingen, hoe meer vrijheid. Dit is de vrijheid waarvan de liberalistische denkers uitgaan. Dit is dan ook een van hun argumenten tegen inmenging van de overheid, want die beperkt op die manier de vrijheid van de individuen.
Een andere, zo mogelijk nog belangrijker, concept is dat van de zelfbezit1 (self-ownership). Wij zijn initieel allemaal volledig in het bezit van onszelf, we bezitten ons eigen lichaam als ons eigendom. Deze notie, die teruggaat op de politieke filosofie van John Locke, is moraalfilosofisch uitgewerkt door Robert Nozick in zijn magnum opus Anarchy, State & Utopia (1974).
Zijn positie omtrent zelfbezit, zo stelt Nozick, volgt uit Kants morele principes. Om precies te zijn: uit de tweede maxime – “Handel zo dat je de mensheid zowel in je eigen persoon als in de persoon van de ander steeds als doel en nooit alleen als middel gebruikt”(Commers, 2008, p. 227). Een menselijk wezen heeft recht op respect en waardigheid en mag niet zomaar behandeld worden louter als een ding. Daarom komt hij op het principe van zelfbezit: eigendom mag niet zomaar gebruikt worden zonder toestemming of geweld aangedaan worden, net zoals ook volgt uit Kant zijn maximes. Iets bezitten is namelijk niets meer dan recht hebben op iets en het recht hebben om ermee te doen wat je belieft.
Maar wat houdt dat zelfbezit nu precies in? Wel, “that individuals own themselves – their bodies, talents and abilities, labor, and by extension the fruits or products of their exercise of their talents, abilities and labor.” (Feser, 2005, par. 2.a) Hieruit volgt bijvoorbeeld al snel dat (onvrijwillige) slavernij immoreel is want in dat geval heeft het individu géén zelfbezit, de slavenhouder bezit dan het lichaam en de vruchten van het individu. Het is stelen, diefstal van een persoon van zichzelf!
3 De minimale staat
Uit dit principe van zelfbezit volgt, zo gaat Nozick verder, dat elke vorm van belastingen moreel verwerpelijk is. Belastingen zijn namelijk gedwongen arbeid en leunen dus aan bij slavernij. Een bepaald deel van de arbeid, is arbeid voor de staat en is men er dus geen eigenaar van. Integendeel: de staat is gedeeltelijk eigenaar van het individu! Dit strookt niet met het concept van zelfbezit en zodoende immoreel.
Alle staatsvormen zijn dus uit den boze omdat zij wetten opleggen aan de bevolking die de vrijheid beperken, zoals rookverboden of censuur, en omdat zij verplichten bij te dragen aan de staat en haar programma's, zoals sociale zekerheid en gezondheidszorg; wat dan weer ingaat tegen het principe van zelfbezit aangezien het zonder de toestemming van het individu gebeurt.
Alle staatsvormen behalve één, zo is de conclusie van Nozick. Enkel een minimale staat of een nachtwakersstaat. Dit is een staat die er enkel voor zorgt dat deze principes nageleefd worden en individuen beschermd tegen inbreuken hiertegen. Zij zorgt ervoor dat contracten nageleefd worden en beschermt door middel van een (beperkt) rechtssysteem en een politiemacht tegen fraude, diefstal en geweld en meer niet. Simpel gezegd is het dus “a minimal state, limited to enforcing contracts and protecting people against force, theft, and fraud [...]. Any more extensive state violetes persons' rights not to be forced to do certain things, and is unjustified.” (Sandel, 2010, p. 62)
Maar hoe kan nu zo een minimale staat mogelijk zijn zonder immoreel te zijn? Is het niet beter om helemaal géén staat, anarchisme dus, te hebben? Want zelfs een nachtwakersstaat heeft geld nodig om te kunnen functioneren, geld dat natuurlijk via belastingen bekomen wordt. Is dat dan ook geen gedeeltelijke slavernij? Neen, zegt Nozick. “Indeed, in his view it turns out that even if an anarchistic society existed, not only could a minimal state nevertheless arise out of it in a way that violates no one’s self-ownership rights, in fact such a state would, morally speaking, have to come into existence”(Feser, 2005, par. 2.b).
Kort gesteld: er zou een proces op gang komen, gecontroleerd door een soort van 'onzichtbare hand' zoals die gebruikt wordt in de economische wetenschappen, die ervoor zorgt dat er één dominant bedrijf of een consortium van bedrijven ontstaan die dezelfde taak op zich nemen van een staat. Bepaalde mensen zullen beschermingsdiensten aanbieden in ruil voor een vergoeding die gelijk is aan datgene dat de andere persoon normaal aan zijn bescherming zou uitgeven – dit is natuurlijk afhankelijk van het (sociale) contract tussen die personen. Zo zullen dus gespecialiseerde bedrijven ontstaan die toezien op de bescherming van basisrechten van de mensen en dit op louter vrijwillige basis. De mensen hebben immers zelf besloten om ervoor te betalen. De 'belastingen' zijn dus betaald op vrijwillige basis. Ook worden er onderlinge afspraken gemaakt tussen bedrijven en vormt zich een soort van proto-wetgeving die instaat voor de bescherming van de vrijheid en de zelfbezitsrechten.
Later, na het ontstaan van deze minimale staat, is er niks dat deze samenlevingen tegenhoudt om verder te gaan en de staat uit te breiden tot een sociale welvaartsstaat of een egalitaristische samenleving, zolang alle leden van die samenleving er maar mee instemmen.
Nozick ziet deze minimale staat als een utopie (vandaar 'Utopia' in de titel van zijn werk) omdat volgens hem enkel enkel dat politieke model in staat is om de visie van iedere persoon en groep te realiseren. (Feser, 2005, par. 2.d)
III Argumenten tegen het libertarisme
In wat nu volgt zou ik enkele argumenten tegen het libertarisme willen formuleren. Deze vallen hoofdzakelijk uiteen in twee categorieën: kritiek op het concept van zelfbezit, dat mijns inziens foutief is, en enkele rawlsiaanse argumenten; daarvoor baseer ik mij vooral op de interpretatie van Rawls door Michael Sandel.
1 zelfbezit en het kantianisme
Eerst en vooral is de sprong die Nozick maakt – maar zelf nooit helemaal opheldert – van de tweede maxime van Kant naar een volledig doorgedreven zelfbezit niet correct. Er is niets in Kants filosofie dat een legitimatie is voor een visie op het eigen lichaam als een bezit, integendeel. Kant stelt zelfs dat we onszelf niet als als louter objecten die we in ons bezit kunnen hebben mogen zien. “The moral requirement that we treat persons as ends rather than as mere means limits the way we may treat our bodies and ourselves. 'Man cannot dispose over himself because he is not a thing; he is not his own property.'” (Sandel, 2010, p. 130). Indien we dat wel doen objectiveren we onszelf.
Een goed voorbeeld is het verkopen van lichaamsonderdelen voor profijt. Er zijn, in onze tijd, mensen, voornamelijk in landen als India en China, die hun nieren verkopen voor grof geld. Nu bestond zo een markt in nieren niet in Kants tijdperk, maar wel iets gelijkaardigs: de verkoop van tanden. Arme mensen verkochten hun tanden die dan bij rijke mensen ingeplant werden die nieuwe tanden nodig hadden. Kant veroordeelde deze praktijk, die duidelijk vergelijkbaar is, omdat dit een schending is van de menselijke waardigheid. Indien men zijn lichaam verkoopt of gebruikt als middel om profijt te maken dan beschouwt men het lichaam enkel als een object en dan voldoet men niet aan de tweede maxime. (Sandel, 2010, p. 131)
Nozicks overtuiging dat het principe van zelfbezit afgeleid kan worden uit Kant zijn maximes is dus foutief. Kant zijn ethiek baseert zich op een ander idee van vrijheid dan dat van de libertariërs. Hij benadrukt de positieve vrijheid door de nadruk te leggen op wat hij de autonomie noemt: het handelen volgens de door jezelf opgelegde wetten. Een begrenzing dus, iets waar de libertariër van lijkt te gruwen.
2 Andere argumenten tegen het principe van zelbezit
Een eerste, belangrijk argument tegen zelfbezit is dat het de plicht uitschakelt en dat het dus ook ontmenselijkt. Mensen zouden niet de plicht hebben om een ander (in nood) te helpen maar zouden dat enkel door een vrijwillig akkoord kunnen doen. De dimensie van “het goede doen omwille van het goed” verdwijnt bijna volledig. Mensen helpen zou grotendeels enkel gebeuren om jezelf beter te doen voelen of omdat je er zelf belang bij hebt. Dit leidt dus tot een extreem ver doorgetrokken individualisme.
Nochtans kan dit niet het geval zijn. Als iemand in het kanaal valt en je springt er niet achter om die persoon te redden – je hebt een dringende afspraak of je houdt je dure kleren liever proper – dan zullen de mensen verontwaardigd reageren. Dit duidt toch aan dat men wel degelijk verwacht dat je een zekere plicht die je hebt jegens anderen vervult.
Een tweede argument is dat het niet toegelaten is om een andere persoon zonder zijn toestemming te “gebruiken” om hemzelf of anderen in nood te helpen. Iemand uit de weg van een aanstormende auto duwen of “gently push[ing] an innocent agent to the ground in order to save ten innocent lives” (Vallentyne, 2010, par. 1) is dus niet toegestaan. Maar dit lijkt wederom een ver doorgedreven individualisme te zijn en totaal onrealistisch ten opzichte van de morele werkelijkheid waarin wij ons bevinden.
Een derde argument is dat zulks een libertarisch principe van zelfbezit kan leiden tot ongelijke kansen, voornamelijk bij een jonge(re) generatie, door gunsten cadeau te doen zodat de ontvangende persoon zich in een bevoordeelde positie bevindt. Volgens de libertariërs is dit toegestaan maar dit kan makkelijk leiden tot onrechtvaardige situaties (zie verder, bij Rawls' argumenten).
The right to make gifts of personal services can be defended by emphasizing how such gifts are an essential part of intimate personal relationships. Moreover, if a person has the right to perform an action for her own benefit, then she arguably also has the right to perform it for someone else's benefit. A possible reply here is that, although the donor may well have the power to make gifts of her services, the recipient may not have a right to the full benefit of those services (e.g., the benefits may not be immune to taxation). (Vallentyne, 2010, p. 1)
Ten vierde kan men zich afvragen of het principe van zelfbezit niet toelaat om dat zelfde recht vrijwillig door te geven, op te geven of te verkopen. Dus of men vrijwillig zichzelf tot slaaf zou kunnen laten maken (en of dat blijvend is). Een extreem voorbeeld is bijvoorbeeld dat van Armin Meiwes, bijgenaamd de Kannibaal van Rotenburg, die een man vermoorde en gedeeltelijk opat die met die daad had toegestemd. Is Meiwes dan schuldig aan moord of niet?
3 Rawls' argumenten
Laat ik nu even ingaan op die andere belangrijke 20ste eeuwse politiek filosoof: John Rawls en zijn hoofdwerk: A Theory of Justice (1971). Bij Rawls draait het niet ultiem rond de basisprincipes maar rond de vraag wat rechtvaardig is. Bij hem zijn die principes het resultaat van zijn filosofie en niet het vertrekpunt, zoals bij de libertariërs.
Rawls is een sociaal-contract denker. Vanuit dat opzicht formuleerde hij het gedachte-experiment van de veil of ignorance. Stel je voor dat we samenkomen om de principes van onze samenleving te bepalen. We bevinden ons achter die sluier van onwetendheid en weten dus niet welke plaats we zullen innemen in de samenleving; we weten niet tot welke klasse of etnische groep we zullen behoren, of we heel slim of oerdom zullen zijn, enzovoort. Dit zorgt ervoor dat iedereen op gelijke voet staat in de onderhandelingen – en dus geen gebruik kunnen maken van “bargaining threats, [die] buiten proportie zouden doorwegen op de uitkomt” (Raes, 2010, p. 185) – voor het (hypothetische) sociale contract, dat niet mogelijk kan zijn in de echte wereld. Welke samenlevingsvorm zou men dan kiezen? (Richardson, 2005, 2.c; Sandel, 2010, p. 142)
Alvast geen libertarische staat, zo stelt Rawls, want niemand wil het risico lopen om in een systeem te belanden dat je niet helpt en behoeftig houdt.2 Rawls biedt ook een alternatief systeem aan dat volgens hem het juiste is. Namelijk een egalitaire samenleving gebaseerd op twee principes; de eerste zorgt voor basis vrijheden en de tweede zorgt voor een sociale en economische gelijkheid, maar ik ga hier verder niet op ingaan.
Een ander argument van Rawls is dat 'verdienste' (moral desert) eigenlijk geen rol speelt bij een rechtvaardige samenleving en herverdeling. Nochtans zit deze notie heel sterk in onze samenleving ingebakken. Vaak claimt men verdienste omdat men er hard voor gewerkt heeft bijvoorbeeld.
Perhaps some will think that the person with greaternatural endowments deserves those assets and the superior character that made their development possible. Because he is more worthy in this sense, he deserves the greater advantages that he could achieve with them. This view, however, is surely incorrect. It seems to be one of the fixed points of our considered judgments that no one deserves his place in the distribution of native endowments, any more than one deserves one's initial starting place in society. The assertion that a man deserves the superior character that enables him to make the effort to cultivate his abilities is equally problematic; for his character depends in large part upon fortunate family and social circumstances for which he can claim no credit. The notion of desert seems not to apply to these cases. (Rawls, 1973, pp. 103-104)
In het libertarisme houdt men hier geen rekening mee en meent te kunnen stellen dat je je initiele positie verdient door bijvoorbeeld bevoordeeld te worden door je ouders, maar zoals we net zagen is dat nog niet rechtvaardig.
Maar rechtvaardigheid is van geen groot belang volgens de libertariërs, want, zo stelt Friedman: “Life is not fair. It is tempting to believe that government can rectify what nature has spawned. But it is also important to recogniez how much we benefit from the very unfairness we deplore.” (M. Friedman & R. Friedman, 1980, pp. 136-137) De natuurlijke staat is rechtvaardig volgens hem. Maar hij gaat hier wel voorbij aan de naturalic fallacy van Moore: het is niet omdat het zo ís, dat het ook goed is en zo hoort te zijn!
In view of these remarks we may reject the contention that the injustice of institutions is always imperfect because the distribution of natural talents and the contingencies of social circumstance are unjust, and this injustice must inevitably carry over to human arrangements. Occasionally this reflection is offered as an excuse for ignoring injustice, as if the refusal to acquiesce in injustice is on a par with being unable to accept death. The natural distribution is neither just nor unjust; nor is it unjust that men are born into society at some particular position. These are simply natural facts. What is just and unjust is the way that institutions deal with these facts. (Rawls, 1973, p. 102)
De natuurlijke verdeling van welvaart en onze initiele positie in de maatschappij zijn rechtvaardig noch onrechtvaardig, maar het is het systeem dat beoordeeld moet worden op rechtvaardigheid en dus ontspringt ook het libertarisme de dans niet. En aangezien zij expliciet stellen dat rechtvaardigheid geen rol speelt in hun theorie is het evenzeer twijfelachtig of de resultaten van dat systeem dat wel zijn.
IV Besluit
Hoewel het libertarisme zeer veel navolging kent en populair blijkt in economische middens, zijn er toch duidelijk heel wat problemen mee. Hoe komt het dat zovelen zijn misleidt dat zij zulke, initieel heel erg nastrevenswaardige principes, dogmatisch gaan aanhangen en zulks een ver doorgedreven libertarische samenlevingsvorm gaan ontwikkelen, zonder oog te hebben voor gelijkheid en rechtvaardigheid?
Het liberalisme en libertarisme hebben zo hun verdiensten gehad (en hebben die nog steeds), maar dat gaat niet ten koste van alles en zeker niet zonder enige kritische reflectie over de correctheid, de rechtvaardigheid, ervan. Daar wijst Rawls heel sterk op.
Samen hiermee kunnen we stellen dat de economische focus op loutere efficiëntie toch niet de juiste aanpak is. Een zo efficient mogelijke verdeling van goederen, daar draait het tegenwoordig om. Rechtvaardigheid komt daar, jammergenoeg, zelden bij kijken. Misschien indien men de economische wetenschappen minder als exacte en meer als humane wetenschappen zou zien dat er daar verandering in zou komen. Want de economie handelt over intermenselijke overeenkomsten en is dus niet meer dan een menselijk, sociaal construct en absoluut geen natuurwetenschap à la de natuurkunde!
Een goed begin zou dus zijn als men er succesvol in slaagt om de illusie van het libertarisme en het heilige geloof in de vrije markt zou kunnen doorprikken. De consequenties zijn dat men alle contact verliest met het menselijke aspect en zodoende een bevreemdende, monsterlijke entiteit heeft geschapen, volledig ontdaan van enige goede intenties die het leven van alle mensen ter wereld beïnvloed!
1Dit is niet hetzelfde als zelfbeschikkingsrecht dat het recht is van een volk om hun politieke status zelf te bepalen: “2. All peoples have the right to self-determination; by virtue of that right they freely determine their political status and freely pursue their economic, social and cultural development.” (United Nations, 1960)
2Rawls' commentaar op diegenen die beweren dat er mensen zouden gokken op waar ze terechtkomen en dus toch voor een libertarische samenleving zouden kiezen is dat men achter de veil of ignorance ook niet weet of men wel zulke risico's zou durven nemen, of men in het echte leven al dan niet een gokker zou zijn. (Sandel, 2010, p. 152)



